ECLI:NL:CRVB:2021:2403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rijlessen versus rolstoeltaxivoorziening voor studente met beperking
Appellante, een studente met een beperking die zich met een rolstoel verplaatst, vroeg het Uwv om vergoeding van de kosten voor het behalen van een rijbewijs. Het Uwv wees dit af omdat vervoer per rolstoeltaxi gedurende haar opleiding goedkoper is dan een aangepaste bruikleenauto inclusief rijlessen.
De rechtbank oordeelde dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de rolstoeltaxivoorziening de goedkoopste adequate voorziening is, mede vanwege de onzekerheid over de situatie van appellante na haar studie en de langdurige leaseverplichting van een bruikleenauto.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat het behalen van een rijbewijs haar kansen op werk vergroot en dat het Uwv onvoldoende rekening hield met haar belangen en de mogelijkheid tot overname van een bruikleenauto. De Raad verwierp deze argumenten en benadrukte dat de beoordeling zich beperkt tot de periode van de opleiding en dat het Uwv de kosten van een aangepaste auto en rijlessen terecht heeft meegewogen.
De Raad concludeerde dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de rolstoeltaxivoorziening de goedkoopste adequate voorziening is en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat de vergelijkbare zaak niet overeenkomt met de situatie van appellante.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van rijlessen wordt afgewezen.