ECLI:NL:CRVB:2021:2291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens kasstortingen en overschrijvingen als inkomen
Appellante ontvangt sinds 2003 bijstand en werd onderzocht vanwege kasstortingen en overschrijvingen van derden op haar bankrekening. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag terug, omdat zij de inlichtingenplicht zou hebben geschonden door deze bedragen niet te melden. De rechtbank vernietigde het besluit deels en stelde de terugvordering lager vast, waarbij enkele overschrijvingen buiten beschouwing werden gelaten.
In hoger beroep betoogde appellante dat de kasstortingen en overschrijvingen terugbetalingen van uitgeleend geld waren of giften, en dus niet als inkomen konden worden aangemerkt. De Raad oordeelt dat appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de bedragen daadwerkelijk terugbetalingen zijn. Ook de omschrijvingen bij de overschrijvingen zijn onvoldoende duidelijk om deze anders te kwalificeren.
De Raad bevestigt dat ook eenmalige kasstortingen of overschrijvingen als inkomen kunnen worden aangemerkt indien de aard van de bron onduidelijk blijft. Omdat appellante geen openheid van zaken gaf over de herkomst, zijn de bedragen terecht als inkomen beschouwd en op de bijstand in mindering gebracht. Het hoger beroep en het beroep tegen het nader besluit worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.