Uitspraak
19 1668 WAJONG
11 maart 2019, 18/5496 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
1 november 2012 tot 1 augustus 2015 een bedrag van € 25.813,84 aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 2010 een Wajong-uitkering die in 2015 werd aangepast vanwege studiefinanciering, maar het UWV wijzigde de uitkering pas laat. Hierdoor werd een bedrag van ruim €24.000 teruggevorderd wegens onverschuldigde betalingen over de periode 2012-2015.
De rechtbank oordeelde dat de terugvordering niet verjaard was en dat er geen sprake was van rechtsverwerking, omdat het UWV geen toezeggingen had gedaan die appellante gerechtvaardigd vertrouwen gaven dat terugvordering achterwege zou blijven. Ook stelde de rechtbank dat het UWV verplicht is tot terugvordering op grond van artikel 2:59 Wajong Pro, tenzij er dringende redenen zijn.
Appellante voerde aan dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor haar zou hebben, maar dit werd niet als dringende reden erkend. De Centrale Raad van Beroep volgde deze lijn en bevestigde het bestreden besluit, waarmee het hoger beroep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van onverschuldigde Wajong-uitkeringen wordt bevestigd.