Uitspraak
18.4961 WAJONG
27 juli 2018, 18/1275 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2010 een Wajong-uitkering vanwege cognitieve stoornissen en beperkingen na een tramongeval. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat appellant tijdelijk geen arbeidsvermogen heeft, maar wel mogelijkheden heeft om dit te ontwikkelen, mede vanwege een geplande operatie aan zijn linkerpols.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant tegen de verlaging van de uitkering ongegrond verklaard, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd werd beoordeeld. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die het tegendeel bewijzen.
In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft de eerdere beoordeling en oordeelt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De verlaging van de uitkering naar 70% van het minimumloon is daarom terecht.
De Raad benadrukt dat het beoordelingskader van het UWV, inclusief het stappenplan uit het Compendium Participatiewet, correct is toegepast en dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om relevante medische informatie aan te leveren.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Wajong-uitkering is terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.