Uitspraak
20 893 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig adviseur algemene bankzaken, meldde zich ziek met psychische klachten en slapeloosheid. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij per 20 mei 2019 geschikt was voor haar maatgevende arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten en het arbeidsverleden voldoende waren meegewogen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV en de rechtbank onvoldoende rekening hielden met haar klachten en de later gestelde diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij stelde dat zij haar werkzaamheden niet naar behoren kon uitvoeren en dat het dagverhaal onjuist was beoordeeld. De Raad overwoog dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere gronden zonder nieuwe medische gegevens en dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, waarbij ook de persoonlijkheidsproblematiek was betrokken.
De Raad benadrukte dat een diagnose niet bepalend is voor arbeidsongeschiktheid, maar de medisch objectiveerbare beperkingen. De verzekeringsartsen hadden dossierstudie gedaan, appellante onderzocht en de klachten meegewogen. Er was geen aanleiding om aan het oordeel te twijfelen of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd omdat appellante geschikt is voor haar maatgevende arbeid.