Uitspraak
20.3050 PW
21 augustus 2020, 19/3498 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds 2012 en verbleef van 16 december 2018 tot en met 13 juli 2019 in Kameroen om haar ernstig zieke vader te bezoeken, die op 30 april 2019 overleed. Het college trok de bijstand over de periode van 13 januari 2019 tot en met 13 juli 2019 in vanwege overschrijding van het maximaal toegestane verblijf in het buitenland zonder dat er zeer dringende redenen waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij zelf ernstig ziek was in die periode en beriep zich op artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet, dat bijstand kan verlenen bij zeer dringende redenen. Zij overlegde medische informatie van haar huisarts.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar medische situatie een acute noodsituatie was zoals vereist, waarbij levensbedreiging of blijvend ernstig letsel dreigt. De medische stukken toonden geen problemen aan in de betwiste periode. Daarom slaagde het beroep op zeer dringende redenen niet en werd de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van het verblijf in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.