ECLI:NL:CRVB:2021:1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten en onduidelijkheid over inkomsten
Appellant ontving bijstand sinds 2009 en werd onderzocht in het kader van het Project Heronderzoek PW 2017. Uit bankafschriften bleek dat appellant in diverse maanden geld opnam bij pinautomaten in gokinstellingen, zonder deze activiteiten te melden. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag en trok bijstand in over meerdere maanden en vorderde een bedrag van €9.207,- terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de conclusie dat hij gokactiviteiten verrichtte en dat het college het recht op bijstand schattenderwijs kon vaststellen. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant gokte, gelet op het aantal en de frequentie van geldopnamen bij gokinstellingen. Appellant had zijn stellingen over storingen en opnamelimieten niet aannemelijk gemaakt.
Verder stelde de Raad dat gokken een activiteit is die gemeld moet worden vanwege mogelijke inkomsten. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden door dit niet te doen. Ook kon het recht op bijstand niet schattenderwijs worden vastgesteld omdat appellant geen controleerbaar inzicht gaf in de omvang van zijn gokactiviteiten en opbrengsten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand bevestigd.