ECLI:NL:CRVB:2021:1986

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
11 augustus 2021
Zaaknummer
18/5297 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten en onduidelijkheid over inkomsten

Appellant ontving bijstand sinds 2009 en werd onderzocht in het kader van het Project Heronderzoek PW 2017. Uit bankafschriften bleek dat appellant in diverse maanden geld opnam bij pinautomaten in gokinstellingen, zonder deze activiteiten te melden. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag en trok bijstand in over meerdere maanden en vorderde een bedrag van €9.207,- terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de conclusie dat hij gokactiviteiten verrichtte en dat het college het recht op bijstand schattenderwijs kon vaststellen. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant gokte, gelet op het aantal en de frequentie van geldopnamen bij gokinstellingen. Appellant had zijn stellingen over storingen en opnamelimieten niet aannemelijk gemaakt.

Verder stelde de Raad dat gokken een activiteit is die gemeld moet worden vanwege mogelijke inkomsten. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden door dit niet te doen. Ook kon het recht op bijstand niet schattenderwijs worden vastgesteld omdat appellant geen controleerbaar inzicht gaf in de omvang van zijn gokactiviteiten en opbrengsten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand bevestigd.

Uitspraak

18.5297 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2018, 18/1055 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 10 augustus 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jobse. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.A.C. Kooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 3 november 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In het kader van het Project Heronderzoek PW 2017 heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In verband met dit onderzoek heeft appellant over de periode van 21 december 2015 tot en met 20 januari 2017 bankafschriften overgelegd. Hierop staan in verschillende maanden diverse stortingen vermeld en opnames in gokinstellingen. Appellant heeft op 17 juli 2017 schriftelijk verklaard dat de opnames in de diverse gokinstellingen hebben plaatsgevonden, omdat de pinautomaat van de ING een storing had. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 juli 2017.
1.3.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de maand januari 2016 herzien en over de maanden maart 2016, juni 2016 tot en met september 2016 en november 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van € 9.207,- van appellant teruggevorderd. Aan de herziening van de bijstand ligt ten grondslag dat de storting als inkomen wordt aangemerkt en op de bijstand over die maand in mindering wordt gebracht. Aan de intrekking van de bijstand ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van gokactiviteiten. Omdat de hoogte van de inkomsten uit gokactiviteiten niet kan worden vastgesteld, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
4.1.
Het geschil tussen partijen ziet op de intrekking van de bijstand in de in 1.3 genoemde maanden (te beoordelen maanden).
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat hij gokactiviteiten heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Niet in geschil is dat appellant in de maanden maart 2016, juni 2016 tot en met september 2016 en november 2016 bedragen in gokinstellingen heeft opgenomen. Uit de bankafschriften van appellant blijkt ook dat deze opnames in maart 2016, meermalen kort achter elkaar tot een bedrag van in totaal € 550,- hebben plaatsgevonden, in juni 2016 tot een bedrag van € 1.300,-, in juli 2016 een bedrag van € 200,-, in augustus 2016 een bedrag van € 300,-, in september 2016 een bedrag van € 400,- en in november 2016 een bedrag van € 230,-. Daarnaast heeft appellant in de te beoordelen maanden meerdere stortingen gedaan variërend van € 10,- tot € 400,-. Gelet op het aantal en de frequentie van de geldopnamen bij pinautomaten in gokinstellingen in de hiervoor genoemde maanden, waarbij soms meerdere malen op één avond opnames plaatsvonden, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant gokactiviteiten heeft verricht. Vergelijk de uitspraken van 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:202 en van 10 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2947.
4.3.2.
Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in de betreffende gokinstellingen geld heeft opgenomen omdat sprake was van een storing van de reguliere pinautomaat in de buurt van de gokinstelling dan wel dat, zoals appellant pas ter zitting heeft gesteld, bij de betreffende pinautomaat buiten de gokinstellingen zijn opnamelimiet was bereikt. Deze stellingen heeft appellant, bij gebrek aan enige feitelijke onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat hij tijdens de zitting van de rechtbank heeft verklaard geld in gokinstellingen op te nemen om daar wat te drinken met vrienden. Deze stelling heeft appellant, gelet op de grootte van de gepinde bedragen ook niet aannemelijk gemaakt.
4.4.
Het gokken op zichzelf is een activiteit die gemeld moet worden, omdat uit de aard daarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Het college moet hiervan op de hoogte worden gesteld, zodat het kan onderzoeken of inderdaad inkomsten zijn verworven en tot welk bedrag. Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten en van de gokopbrengsten. Het ligt in die situatie op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, als hij daarvan wel melding had gemaakt, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.5.
Appellant heeft, subsidiair, aangevoerd dat het college zijn recht op bijstand schattenderwijs kan vaststellen. Aan de hand van de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening is voldoende inzichtelijk wat de gokwinsten van appellant zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
4.5.1.
Dat het totale bedrag aan stortingen en bijschrijvingen bekend is, is onvoldoende om de omvang van de gokactiviteiten van appellant en de daaruit genoten gokopbrengsten vast te stellen. Appellant heeft namelijk geen enkel controleerbaar inzicht gegeven in de omvang van zijn gokactiviteiten en ook niet in de tijdens die activiteiten uitgekeerde bedragen in de vorm van contanten dan wel fiches of muntjes. Daardoor kan – anders dan appellant stelt – niet worden vastgesteld dat appellant alle inkomsten die hij met zijn gokactiviteiten heeft verworven geheel op zijn rekening heeft gestort. Hieruit volgt dat, anders dan appellant meent, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs.
4.6.
Uit 4.5.1 volgt dat het recht op bijstand in de in 1.3 genoemde maanden niet kan worden vastgesteld en terecht is ingetrokken.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2021.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) R. de Haas