ECLI:NL:CRVB:2021:202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gokactiviteiten met bankpas appellant
Appellant ontvangt sinds april 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een heronderzoek door de gemeente Rotterdam werd vastgesteld dat met de bankpas van appellant betalingen en opnames in gokinstellingen waren verricht in de periode februari 2017 tot januari 2018.
Het college besloot daarom de bijstand over deze periode in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat niet hij, maar een vriend (X) de gokactiviteiten had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat X de gokactiviteiten had gedaan en dat hij slechts geld had opgenomen voor X. De Raad oordeelde echter dat de verklaring van X onvoldoende geloofwaardig was, mede vanwege inconsistenties en het ontbreken van een plausibele verklaring voor de constructie. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door P.W. van Straalen, in aanwezigheid van griffier J.B. Beerens op 19 januari 2021.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt terecht ingetrokken en teruggevorderd vanwege gokactiviteiten met zijn bankpas.