Appellante heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft geweigerd deze toe te kennen op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen. Het oorspronkelijke besluit van 20 juni 2016 werd niet herzien omdat het UWV verwachtte dat appellante in de toekomst wel arbeidsvermogen zou ontwikkelen.
Appellante heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze besluiten, onder verwijzing naar de duuraanspraken-jurisprudentie. Zij stelde dat het eerste besluit onvoldoende was onderbouwd en dat er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. De rechtbank Limburg heeft het beroep ongegrond verklaard en het UWV-standpunt gevolgd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat het UWV de aanvraag van appellante adequaat heeft beoordeeld en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herziening van het oorspronkelijke besluit. Het door appellante overgelegde advies van de GGD bracht geen nieuw inzicht. De Raad ziet geen reden om een deskundige in te schakelen en bevestigt het oordeel van de rechtbank.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.