ECLI:NL:CRVB:2021:1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitkeringszaak wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker, die sinds 1991 recht heeft op een WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, verzocht om herziening van een eerdere uitspraak die zijn uitkering bevestigde. Hij stelde dat hij invalide is, medische behandelingen ondergaat en dat zijn uitkering onvoldoende is voor zijn levensonderhoud.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat een onherroepelijke uitspraak alleen kan worden herzien indien aan drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: de feiten of omstandigheden moeten voorafgaand aan de uitspraak hebben plaatsgevonden, deze waren niet bekend en konden ook niet redelijkerwijs bekend zijn bij de verzoeker, en als de Raad deze feiten eerder had gekend, zou dit tot een andere uitspraak hebben geleid.
Namens verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze voorwaarden voldoen. Het enkele standpunt dat verzoeker invalide is en medische behandelingen ondergaat, en dat zijn uitkering te laag is, vormt geen grond voor herziening. Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing dat de WAO-uitkering en toeslag conform de wettelijke regels zijn vastgesteld, mede vanwege het lage dagloon en de beëindiging van de verlengde Ziektewet-uitkering in 1993. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitkeringsuitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten.