ECLI:NL:CRVB:2019:1585

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2019
Publicatiedatum
9 mei 2019
Zaaknummer
16/6080 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8a TWWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake verzoek om hogere WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft sinds 26 augustus 1991 recht op een WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, welke is berekend op basis van een dagloon dat lager is dan het minimumloon. In 2015 verzocht appellant om een hogere uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet tot een hogere uitkering kan leiden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat de uitkering te laag is, verwijzend naar eerdere hogere uitkeringen en documenten uit de jaren 1990. Het Uwv verduidelijkte dat de lagere uitkering het gevolg is van de beëindiging van een verlengde Ziektewet-uitkering in 1993, waarna alleen de WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) werden uitgekeerd.

De Raad concludeert dat de gronden van het hoger beroep een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank zijn behandeld en dat er geen nieuwe feiten of argumenten zijn die aanleiding geven tot een hogere uitkering. De berekening van de uitkering en toeslag is correct en het verzoek om verhoging wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; uitkering blijft ongewijzigd.

Uitspraak

16.6080 WAO

Datum uitspraak: 9 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2016, 16/239 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft sinds 26 augustus 1991 recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij is in 1996 geremigreerd naar Marokko met behoud van zijn WAO-uitkering.
1.2.
Het verzoek van appellant van 15 juni 2015 om een hogere WAO-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2015 afgewezen. De WAO-uitkering en de toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) blijven € 708,40 bruto per maand. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.3.
Bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzoek van appellant aangemerkt als een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid. Evenals het Uwv is de rechtbank van oordeel dat een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant niet kan leiden tot een hogere uitkering omdat hij al 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daarnaast heeft het Uwv ter zitting bij de rechtbank een toelichting gegeven over de opbouw van de huidige uitkering. Appellant heeft geen stukken ingediend waaruit blijkt dat de uitkering onjuist is berekend. De toeslag is in dit geval, waarin het dagloon lager is dan het minimumloon, maximaal het verschil tussen de loondervingsuitkering en het dagloon, zo volgt uit artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW. Omdat het dagloon slechts € 35,70 bedraagt heeft appellant recht op een relatief lage WAO-uitkering.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn WAO-uitkering te laag is om van te kunnen leven. Volgens appellant was de WAO-uitkering in het verleden hoger en is deze in 1994 verlaagd. Appellant heeft jaaropgaven van de jaren 1992 en 1993 van de bedrijfsvereniging ingediend en een formulier van de Agrarische Sociale Fondsen van 28 augustus 1990.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en toegelicht dat uit de door appellant ingediende en in de dossiers aangetroffen stukken blijkt dat appellant tot 26 augustus 1991 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen, berekend naar een dagloon van € 54,63 (ƒ 120,38). De daarop volgende WAO-uitkering met ingang van 27 augustus 1991 werd berekend op grond van een dagloon van € 22,33 (ƒ 49,21) en werd de eerste twee jaar, tot 27 augustus 1993, aangevuld met een verlengde ZW-uitkering. Na afloop van deze twee jaar werd alleen de WAO-uitkering uitgekeerd aangevuld met een toeslag op grond van de TW. Dit compenseerde echter niet de grote inkomensachteruitgang nadat de verlengde ZW-uitkering was beëindigd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Een hogere uitkering wegens toegenomen gezondheidsklachten is niet mogelijk, omdat appellant vanaf 1991 doorlopend volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. In hoger beroep is verduidelijkt dat de inkomensterugval in 1993 is veroorzaakt door de beëindiging van de verlengde ZW-uitkering, die maximaal twee jaar duurde. Ook in hoger beroep heeft appellant geen gronden ingediend die zien op de berekening van de WAO-uitkering en de toeslag op grond van de TW. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekening niet juist is.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2019.
(getekend) E. Dijt
(getekend) L. Boersma

OS