ECLI:NL:CRVB:2021:1685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermeend niet-hoofdverblijf op uitkeringsadres niet gerechtvaardigd
Appellant ontving bijstand vanaf 2011 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Door betalingsachterstanden werd in 2016 de woning afgesloten van gas en elektriciteit. Het college twijfelde aan de woonsituatie van appellant en besloot in 2019 de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen, gebaseerd op laag waterverbruik, het huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de aanwijzingen onvoldoende zijn om te concluderen dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het waterverbruik kon niet exact worden toegerekend aan de periode, en het huisbezoek toonde een rommelige maar bewoonde woning. Verklaringen van een buurvrouw ondersteunden het feitelijke verblijf.
De Raad stelde dat het college onvoldoende aanvullend bewijs had geleverd om het vermoeden te bevestigen en vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant.