ECLI:NL:CRVB:2021:1560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant was sinds 31 oktober 2001 gerechtigd tot een WAO-uitkering, die in 2004 werd ingetrokken vanwege detentie. Na beëindiging van de detentie in februari 2005 werd een heropening van de WAO-uitkering geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant verzocht in 2015 om heropening met terugwerkende kracht, wat werd afgewezen. Na inzage in het dossier in 2016 meldde appellant toegenomen arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2005, waarop het UWV een afwijzend besluit nam.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en in hoger beroep overwoog de Raad dat de medische rapporten van Van der Veer uit 2019 en 2020 geen feiten bevatten die voor de uitspraak onbekend waren en tot herziening konden leiden. De Raad bevestigde dat er geen objectief bewijs was van toegenomen beperkingen vanaf 2 juni 2005, mede gelet op eerdere medische rapportages en het arbeidsverleden van appellant.
Het verzoek om herziening werd afgewezen en het hoger beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.