Uitspraak
20 1062 WAO
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering. In mei 2016 werd in het door hem gehuurde chalet een hennepkwekerij aangetroffen. Het UWV stelde een terugvordering vast van € 5.561,31 bruto op basis van een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 8.331,-. Appellant voerde bezwaar aan met verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de ontnemingsvordering had verlaagd tot € 1.000,-.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de terugvordering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met het lagere bedrag van het gerechtshof en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het oordeel van het hof niet gevolgd wordt. Het feit dat appellant inkomsten uit de kwekerij heeft genoten staat vast, maar de hoogte van het voordeel moet worden vastgesteld op € 1.000,-.
Het bestreden besluit voldoet niet aan de motiveringsvereisten van de Awb en kan niet in stand blijven. De Raad vernietigt het besluit en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot terugvordering van WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen rekening houdend met het lagere bedrag van € 1.000,-.