ECLI:NL:CRVB:2021:1288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster en later als bestuurder bij een stichting en ontving een WW-uitkering toen zij zich ziek meldde met rug- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen en dat haar maatmanloon €16,- per uur bedroeg, passend bij de functie van reisbureaumedewerker. De arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15,75%, waardoor een WIA-uitkering werd geweigerd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en het arbeidskundig onderzoek voldoende gemotiveerd was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld, omdat haar functie als bestuurder een hoger loon rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen nieuwe medische feiten waren die tot een ander oordeel leidden. Het maatmanloon werd terecht vastgesteld op basis van de werkzaamheden die appellante daadwerkelijk verrichtte, welke overeenkwamen met een reisbureaumedewerker met een uurloon van €16,-. Het hogere loon als bestuurder was niet gerechtvaardigd gezien de aard van haar werkzaamheden.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering ontvangt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard en het maatmanloon correct is vastgesteld.