ECLI:NL:CRVB:2021:1246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing beroep tegen besluit over verval en uitbetaling verlofuren politieambtenaar
Appellant, sinds 1982 in dienst bij de politie en sinds 2011 arbeidsongeschikt, werd per 1 september 2018 ontslagen. De korpschef stelde een eindafrekening op met een nabetaling voor 593,9 niet-genoten verlofuren over 2016 tot 2018. Appellant betwistte de berekening en stelde dat ook verlofuren van vóór 2016 uitbetaald hadden moeten worden en dat hij niet voldoende geïnformeerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de resterende verlofuren van vóór 2016 op grond van artikel 23 Barp Pro per 1 januari 2018 vervallen waren. De Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar relevante arresten van het Hof van Justitie die het verval van verlofuren toestaan indien de werknemer daadwerkelijk de kans heeft gehad deze op te nemen. De situatie van appellant verschilt omdat hij wel een vergoeding ontving voor verlofuren over de laatste jaren.
Verder is geoordeeld dat er geen sprake is van getrapte besluitvorming, omdat de nadere specificatie van verlofuren een verduidelijking betrof. De uitbetaling van het verlofsaldo vond tijdig plaats binnen de wettelijke termijnen, zodat geen wettelijke rente verschuldigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.