ECLI:NL:CRVB:2021:116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing waarnemingstoelage op grond van rechtens onaantastbare besluiten
Appellant was werkzaam bij de politie en heeft vanaf februari 2014 werkzaamheden verricht behorende bij een andere functie. Hij verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2014. De korpschef wees dit verzoek af, stellende dat eerdere besluiten rechtens onaantastbaar waren en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de periode na 22 maart 2016 en bepaalde dat appellant recht had op een waarnemingstoelage vanaf die datum. De korpschef kende deze toe bij een nieuw besluit. In hoger beroep stond alleen de periode vóór 22 maart 2016 ter discussie.
De Raad oordeelde dat de korpschef het verzoek terecht had opgevat als een verzoek om terug te komen op rechtens onaantastbare besluiten op grond van artikel 4:6 Awb Pro. Appellant had geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een herziening konden rechtvaardigen. Ook was het besluit niet evident onredelijk. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op waarnemingstoelage voor de periode vóór 22 maart 2016 omdat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd en het bestreden besluit niet evident onredelijk is.