ECLI:NL:CRVB:2021:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid en re-integratieverplichtingen eigenrisicodrager
Werkneemster was werkzaam als verzorgende en ontving een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De eigenrisicodrager, appellante, verzocht het UWV om herbeoordeling van deze mate, inclusief toetsing van het herstelgedrag van werkneemster. Het UWV handhaafde de oorspronkelijke beoordeling.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV, stellende dat het UWV ten onrechte geen uitspraak had gedaan over het herstelgedrag. Het bezwaar werd ongegrond verklaard met de overweging dat het monitoren van herstelgedrag en het opleggen van maatregelen tot de re-integratieverplichtingen van de eigenrisicodrager behoren.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees erop dat de wetgever de eigenrisicodrager bevoegdheden heeft gegeven om de re-integratie te verzorgen, waarbij het UWV niet afhankelijk is voor het monitoren van herstelgedrag. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de re-integratieverplichtingen niet verder gaan dan de arbeidskundige kant en dat het UWV verantwoordelijk is voor medische beoordeling en herstelmonitoring.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp de gronden van appellante, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat het UWV niet verplicht is herstelgedrag te beoordelen of maatregelen op te leggen zonder daartoe een verzoek. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.