Uitspraak
/18.6234 AW
H.J. Kleine, P. van den Dolder, H.C.F. Geers en D. de Ruiter.
OVERWEGINGEN
BESLISSING
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker, liep op 5 juni 2015 een ernstig letsel op door een val over de riem van een drugshond tijdens een spitactie in een penitentiaire inrichting. Na onderzoek en een afwijzing van de minister op grond van niet-schending van de zorgplicht, stelde appellante een verzoek tot schadevergoeding in. De rechtbank concludeerde dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en wees het verzoek af.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de minister niet aansprakelijk is. De Raad overweegt dat de zorgplicht van de minister niet vereist dat elk denkbaar risico wordt uitgebannen en dat de aanwezigheid van een hond en riem in een grote, overzichtelijke ruimte geen zodanig gevaar oplevert dat gedetailleerde instructies noodzakelijk zijn. Bovendien was appellante op de hoogte van de aanwezigheid van de hond en had zij meer oplettendheid moeten betrachten.
De Raad acht de verklaringen over de toedracht niet voldoende om risicoaansprakelijkheid op grond van dierenrecht aan te nemen. De minister heeft voldoende maatregelen getroffen en de inzet van een gekwalificeerde hondenbegeleidster ondersteunt dit. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat de minister geen zorgplicht heeft geschonden.