ECLI:NL:CRVB:2018:265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking en inhouding bijstand
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder, die door het college van burgemeester en wethouders van Pekela onterecht werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 30 mei 2007 tot 31 juli 2010. Na een eerdere vernietiging van het intrekkingsbesluit door de Raad werd de bijstand over een deelperiode nabetalend toegekend, met inhoudingen ter aflossing van de terugvordering.
Appellant verzocht vervolgens om vergoeding van materiële schade, bestaande uit incassokosten, en immateriële schade wegens de langdurige procedure en gevolgen daarvan. Het college vergoedde alleen de wettelijke rente over de nabetaling en terugbetaling van bedragen.
De Raad stelt dat op grond van het overgangsrecht het oude recht van toepassing is en dat schadevergoeding beperkt is tot wettelijke rente over de vertraagde uitbetaling en onrechtmatige inhoudingen. De door appellant gevorderde verdere materiële schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige beslaglegging wordt afgewezen omdat de wettelijke rente reeds correct is betaald.
Ten aanzien van immateriële schade oordeelt de Raad dat appellant en zijn dochters niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro. Ook is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om verdere schadevergoeding wordt afgewezen; alleen wettelijke rente wordt vergoed.