ECLI:NL:CRVB:2020:733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op basis van beperkingen door een stoornis in het autismespectrum (ASS) en andere klachten. Het UWV wees de aanvraag in 2014 af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden. Diverse procedures volgden, waarbij het bezwaar en beroep grotendeels niet-ontvankelijk werden verklaard vanwege termijnen.
In 2017 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die het UWV als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit van 2014 beoordeelde. Het UWV stelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven het besluit te herzien. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het stellen van de diagnose ASS in 2015 geen nieuw feit is, aangezien al in 2014 sprake was van een vermoeden van ASS. Ook de medische informatie over depressieve klachten na de relevante periode gaf geen aanleiding tot herziening. De Raad bevestigde dat appellant geen aanspraak kan maken op de Wajong-uitkering voor het verleden of de toekomst, omdat hij niet als jonggehandicapte werd aangemerkt binnen de relevante periode.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.