ECLI:NL:CRVB:2020:699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering en boete wegens niet gemelde werkzaamheden in kringloopwinkel
Appellante ontving vanaf 1 november 2013 een WW-uitkering op basis van een arbeidsurenverlies van 21 uur. Het UWV weigerde haar verzoek om vrijwilligerswerk te verrichten in een kringloopwinkel zonder toestemming. Na een onderzoek naar een hennepkwekerij werd vastgesteld dat appellante hand- en spandiensten verrichtte in de kringloopwinkel, het bedrijf van haar man. Hierdoor werd haar WW-uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken en werd een bedrag van €31.200,07 teruggevorderd. Tevens werd een boete van €5.400 opgelegd, later verlaagd naar €3.120.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden als arbeid in het economisch verkeer moesten worden aangemerkt, ook al waren ze onbetaald en hobbymatig van aard. Appellante had haar inlichtingenplicht geschonden door deze werkzaamheden niet te melden, waardoor het UWV niet kon vaststellen of zij recht had op WW-uitkering. De boete werd als evenredig beschouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig. De werkzaamheden werden bevestigd als geldelijk waardeerbare arbeid zonder toestemming van het UWV, en de boete werd als passend beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WW-uitkering en de boete wegens niet gemelde werkzaamheden in de kringloopwinkel.