ECLI:NL:CRVB:2020:621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking faillissementsuitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant had een faillissementsuitkering ontvangen over de periode 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012 op grond van een vermeende dienstbetrekking bij een BV die failliet werd verklaard. Het UWV vermoedde een gefingeerd dienstverband en startte een onderzoek, waarbij bleek dat de arbeidsovereenkomst achteraf was opgesteld en er geen aanwijzingen waren voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Diverse getuigen verklaarden appellant niet als werknemer te kennen.
Het UWV trok de uitkering in en vorderde het bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende tegenbewijs leverde. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar kon hij geen concrete, verifieerbare gegevens aandragen die het bestaan van een dienstbetrekking aannemelijk maakten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de uitkering introk en terugvorderde op grond van artikel 22a en 36 van de WW. De onderzoeksrapporten boden een toereikende grondslag en appellant slaagde er niet in dit te weerleggen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de faillissementsuitkering bevestigd.