ECLI:NL:CRVB:2016:1680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ZW- en WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant ontving vanaf april 2009 een Ziektewetuitkering (ZW) en later ook een Werkloosheidswetuitkering (WW) na een vermeend dienstverband met een bedrijf. Het UWV voerde een onderzoek uit naar gefingeerde dienstverbanden en concludeerde dat appellant in de periode maart-april 2009 niet daadwerkelijk voor het bedrijf had gewerkt en er geen loonbetalingen waren verricht. Op basis hiervan trok het UWV de uitkeringen in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedragen terug.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, stellende dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met verklaringen van de eigenaresse en een ex-werknemer die bevestigden dat appellant had gewerkt. De rechtbank stelde het UWV in het gelijk en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende en zorgvuldig onderzoek had gedaan en aannemelijk had gemaakt dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Appellant had geen objectief en verifieerbaar tegenbewijs geleverd. De Raad benadrukte dat het ontbreken van een juiste administratie bij het bedrijf appellant niet helpt. De intrekking en terugvordering van de uitkeringen waren daarmee terecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen dienstbetrekking had en dat de ZW- en WW-uitkeringen terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd.