ECLI:NL:CRVB:2020:3214

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
16 december 2020
Zaaknummer
20-999 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WuvArt. 21 Wuv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding aanschaf auto wegens onvoldoende medische noodzaak volgens Wuv

Appellante, een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om vergoeding van de kosten voor de aanschaf van een auto vanwege psychische klachten gerelateerd aan haar vervolging. Eerder was dit verzoek afgewezen omdat zij niet beperkt was in het gebruik van taxi's. Na een nieuwe aanvraag in 2019, waarin zij een verergering van haar klachten meldde, handhaafde de Sociale verzekeringsbank het besluit tot afwijzing.

De Raad overwoog dat het beleid van verweerder vereist dat er sprake moet zijn van een absolute verhindering om gebruik te maken van openbaar vervoer en taxi om een vergoeding toe te kennen. Uit medisch advies bleek dat appellante in staat is om met een taxi te reizen, waardoor geen medische indicatie bestaat voor een vergoeding van een auto. Een hernieuwd medisch onderzoek werd niet noodzakelijk geacht.

Hoewel appellante de noodzaak van onafhankelijkheid benadrukte, oordeelde de Raad dat dit geen reden is om af te wijken van de strikte toekenningsvoorwaarden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor aanschaf van een auto blijft in stand.

Uitspraak

20.999 WUV

Datum uitspraak: 17 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.M.F. Starmans, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 februari 2020, kenmerk BZ011342660 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Starmans. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1942, is vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zij psychische klachten heeft die in verband staan met de ondergane vervolging.
1.2.
Op een in november 2014 ingediende aanvraag om toekenning van een vergoeding voor de aanschaf van een auto is afwijzend beslist bij besluit van 26 januari 2015 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 augustus 2015 op de grond dat deze voorziening in verband met de psychische klachten van appellante niet medisch noodzakelijk of medisch sociaal wenselijk is. Dit op de grond dat appellante niet beperkt is in het gebruik van de taxi. Het tegen het besluit van 7 augustus 2015 ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van de Raad van 8 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4644).
1.3.
In september 2019 heeft appellante nogmaals verzocht om vergoeding van de kosten van aanschaf van een auto, waarbij zij melding maakt van verergering van haar psychische klachten. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit 31 oktober 2019, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de gevraagde voorziening in verband met de psychische klachten niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk is. Overwogen is dat ook nu niet blijkt dat appellante beperkt is in het gebruik van een taxi en dat zij daarnaast in staat is om met iemand mee te rijden.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Voor het toekennen van een voorziening voor de aanschaf van een auto hanteert verweerder in het kader van artikel 20 van Pro de Wuv het vereiste dat sprake moet zijn van een absolute verhindering ten gevolge van causale aandoeningen om van het openbaar vervoer (trein, tram, bus en metro) en van de taxi gebruik te kunnen maken. Om in het kader van artikel 21 van Pro de Wuv in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de kosten geldt de eis dat de causale aandoeningen het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijken en daarnaast dat het gebruik van het openbaar vervoer en taxi niet mogelijk is op grond van niet‑causale aandoeningen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit beleid in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv en mag, gelet op het inmiddels algemeen gebruikelijke karakter van de hier gevraagde voorziening, strikt worden uitgelegd (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3507).
2.2.
Als geen gebruik wordt gemaakt van een taxi, hanteert verweerder het uitgangspunt dat niet aan de vereisten voor toekenning van de voorziening is voldaan als de betrokkene in staat is om mee te rijden met een bekende. De Raad heeft dit uitgangspunt in eerdere rechtspraak aanvaard (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3544). Het bedoelde uitgangspunt past in een strikte uitleg van het beleid, zoals onder 2.1 bedoeld.
2.3.
Het standpunt van verweerder dat de aanschaf van een auto in verband met de psychische klachten (ook nu) niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk is, is in eerste instantie gebaseerd op het advies van de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts. Het bezwaar is voorgelegd aan de geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts. Hij heeft het advies van Roelofs onderschreven. Deze adviseurs concluderen dat gezien de eveneens ingediende aanvraag om vergoeding van kosten van het vervoer per taxi naar het Sinaï Centrum vanwege de behandeling daar, appellante in staat is per taxi te reizen en daardoor een medische indicatie ontbreekt voor het toekennen van een vergoeding voor aanschaf van een auto.
2.4.
Bij de aanvraag en nadien herhaald in bezwaar en beroep heeft appellante blijk gegeven van een verergering van haar psychische klachten. Anders dan namens appellante heeft betoogd, heeft verweerder in de gegeven omstandigheden op goede gronden kunnen afzien van een hernieuwd medisch onderzoek
.In het licht van de aanvraag van appellante om toekenning van een vergoeding van taxikosten en wat zij zelf heeft verklaard over het meerijden met een taxi en/of kennis heeft verweerder terecht kunnen concluderen dat bij appellante geen sprake is van een absolute verhindering als bedoeld onder 2.1. Zij voldoet daardoor niet aan de onder 2.2 genoemde en strikt toe te passen toekenningsvoorwaarden. De resultaten van een hernieuwd medisch onderzoek naar de gestelde verergering van haar medische klachten zouden dat niet anders hebben kunnen maken.
2.5.
Appellante heeft zich ter zitting op invoelbare wijze uitgesproken over de noodzaak voor haar om onafhankelijk te kunnen zijn van anderen en over een eigen auto te kunnen beschikken. Gegeven de hier gevraagde voorziening en de daaraan verbonden strikte voorwaarden voor het toekennen daarvan kan het betoog van appellante hoe invoelbaar dit ook is, er niet toe leiden dat de afwijzing van verweerder voor onjuist moet worden gehouden.
2.6.
Uit 2.4 en 2.5 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van appellante moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2020.
(getekend) H. Lagas
(getekend) R.H. Koopman