Uitspraak
18.4878 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege ernstige buik- en darmklachten die zijn arbeidsvermogen beperken. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze aanvragen afgewezen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet als duurzaam werd beschouwd. De rechtbank heeft dit standpunt bevestigd en ook de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bekrachtigd.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Hoewel appellant ernstige klachten heeft, zijn er nog behandelopties die verbetering kunnen brengen, waaronder het plaatsen van een stoma. De Raad stelde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is zolang er een reëel perspectief op verbetering bestaat.
Appellant voerde aan dat er sprake is van schending van het beginsel van equality of arms omdat hij geen onafhankelijke deskundige kon inschakelen, maar de Raad verwierp dit omdat appellant voldoende gelegenheid had stukken in te dienen. Ook het feit dat appellant een WMO-voorziening heeft vanwege zijn beperkingen doet niet af aan het oordeel over de duurzaamheid van het arbeidsvermogen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het Uwv tot weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.