ECLI:NL:CRVB:2020:3130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J.P.M. Zeijen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en kostenvergoeding in WIA-uitkeringszaak
Appellant, werkzaam als grondwerker en later als betegelaar, meldde zich ziek met rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank stelde de arbeidsongeschiktheid op 62,66% en de resterende verdiencapaciteit op € 1.068,54, en oordeelde dat een schriftelijke reactie op een voorgenomen besluit geen proceshandeling is voor kostenvergoeding.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt met aanvullende medische rapporten, maar de Raad deelde het oordeel van de rechtbank dat de medische belastbaarheid juist was vastgesteld en dat de aanvullende expertises onvoldoende aanleiding gaven tot twijfel. Het incidenteel hoger beroep van het UWV slaagde, waarbij de Raad oordeelde dat de functie productiemedewerker industrie passend is ondanks medicatiegebruik van appellant.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het UWV-besluit ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak bevestigt de zorgvuldige toepassing van de Wet WIA en de criteria voor vergoeding van kosten in bezwaarprocedures.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.