ECLI:NL:CRVB:2020:307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid wegens verhuizing na huwelijk zonder voortzetting dienstverband
Appellante was sinds 2010 werkzaam bij een maatschap in [Z.] en nam ontslag omdat zij ging trouwen en wilde verhuizen naar de woonplaats van haar partner. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe, maar stelde dat zij verwijtbaar werkloos was omdat zij haar dienstverband niet redelijkerwijs had voortgezet en onvoldoende had gezocht naar werk in de nieuwe woonplaats.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de reistijd en kosten niet zodanig waren dat voortzetting van het dienstverband niet van haar kon worden gevergd. Ook was niet gebleken dat zij direct na haar ontslag was gaan solliciteren. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV de hoorplicht had geschonden en dat haar situatie dwingende sociale redenen bevatte, maar de Raad verwierp deze argumenten.
De Raad benadrukte vaste rechtspraak dat het huwelijk en verhuizing naar de woonplaats van de partner geen reden is om het dienstverband niet voort te zetten, zeker als er nog geen samenwoning was. Bovendien was er pas op 26 september 2017 duidelijkheid over de woonplaats. Appellante bracht geen bewijs dat zij werkloosheid had proberen te voorkomen. De Raad bevestigde daarom de verwijtbare werkloosheid en handhaafde het besluit van het UWV.
Uitkomst: De verwijtbare werkloosheid van appellante wordt bevestigd omdat zij haar dienstverband niet voortzette en onvoldoende solliciteerde.