Uitspraak
18 6328 WAO
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
(M-L) / M * 100%
M voor het maatmaninkomen zoals berekend op grond van het derde lid.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 27 juli 2000 een WAO-uitkering en werkt daarnaast als ICT-medewerker sinds 1 september 2008. De WAO-uitkering werd vanaf 1 september 2013 definitief vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Het UWV besloot in 2015 de uitkering voortaan als voorschot uit te betalen, met een nacontrole op basis van loonopgaven van de werkgever.
In januari 2018 berichtte het UWV aan appellant dat hij over de periode september tot en met november 2017 te veel voorschot had ontvangen (€337,56 bruto) en dit bedrag via inhoudingen op de uitkering zou worden teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV en de rechtbank werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de systematiek toepaste zoals vastgelegd in artikel 44 WAO Pro en artikel 10a van het Schattingsbesluit, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om terugvordering achterwege te laten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de periodeloonvergelijking in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van Pro de Grondwet, omdat WAO-gerechtigden anders worden behandeld dan werknemers zonder WAO-uitkering. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit betoog, verwijzend naar vaste rechtspraak dat wetten niet aan algemene rechtsbeginselen mogen worden getoetst en dat artikel 44 WAO Pro een dwingende bepaling is. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen en de wetgever had rekening gehouden met nadelige effecten voor een kleine groep WAO-gerechtigden.
De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van het teveel verstrekte voorschot WAO-uitkering wordt bevestigd.