ECLI:NL:CRVB:2020:2573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot voortzetting WAO-uitkering na intrekking in 2000
Appellant ontving sinds 1997 een WAO-uitkering die in 2000 werd herzien en vervolgens beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%. Na een dienstverband ontving appellant ziekengeld dat in 2015 werd beëindigd, waarna bezwaar en beroep ongegrond werden verklaard.
In 2017 verzocht appellant om voortzetting van de WAO-uitkering, verwijzend naar eerdere rapporten en besluiten. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing, stellende dat het dossier niet meer aanwezig was en er geen reden was om het UWV te verwijten het dossier te hebben vernietigd.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met eerdere stukken. De Raad concludeerde dat het besluit van 8 juni 2000, waarin de uitkering werd ingetrokken, bekend was gemaakt en in kracht van gewijsde was gegaan. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat het verzoek terecht was afgewezen en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. Ook een eventueel verzoek om een Amber-beoordeling werd afgewezen. Het griffierecht werd aan appellant vergoed vanwege late indiening van stukken door het UWV.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de WAO-uitkering wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.