ECLI:NL:CRVB:2020:2447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor pensioengerechtigde met woonplaats België
Appellant, geboren in 1934, woonde sinds 1994 in België en ontving een Nederlands wettelijk pensioen en een aanvullend pensioen. De CAK herzag de buitenlandbijdrage over 2014 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde.
Appellant voerde aan dat hij niet onder Verordening 883/2004 viel omdat hij geen gebruik had gemaakt van het vrij verkeer van werknemers, maar van het vrij verkeer van Unieburgers met duurzaam verblijfsrecht. Hij stelde dat de heffing van de buitenlandbijdrage zijn vrij verkeer belemmerde en dat het arrest Hoogstad op zijn situatie van toepassing was.
De Raad oordeelde dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met Hoogstad, omdat appellant ook een wettelijk pensioen uit Nederland ontvangt. De toepasselijke EU-verordeningen en nationale wetgeving rechtvaardigen de heffing van de buitenlandbijdrage. De Raad verwierp het beroep op het Unierecht en zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van de buitenlandbijdrage bevestigd.