Uitspraak
19.2371 WAO
.Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Centrale Raad van Beroep
Appellant betwist het door het UWV genomen besluit van 16 april 2019 waarbij zijn bezwaar tegen het intrekken van zijn WAO-uitkering ongegrond werd verklaard. De Raad beoordeelt of het UWV voldoende onderzoek heeft gedaan naar de gezondheidstoestand van appellant in 2013 en of het besluit voldoende gemotiveerd is.
Het UWV heeft pas in beroep het onderzoek gericht op de gezondheidstoestand in 2013 uitgevoerd, waarbij rapporten van de CNSS en verzekeringsartsen zijn betrokken. De Raad constateert dat het UWV het onderzoek niet tijdig heeft uitgevoerd en het besluit pas in beroep toereikend heeft onderbouwd, maar dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Verder is vastgesteld dat de totale duur van de procedure ruim zes jaar bedroeg, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Het UWV wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- en de proceskosten. Verzoeken om wettelijke rente en een dwangsom worden afgewezen wegens het ontbreken van een ingebrekestelling en onvoldoende grondslag.
De uitspraak bevestigt dat het UWV zorgvuldig moet omgaan met termijnen en motiveringen bij besluiten over arbeidsongeschiktheid, maar dat het gebrek in procedurele zorgvuldigheid niet altijd leidt tot vernietiging van het besluit als de inhoudelijke uitkomst niet anders zou zijn geweest.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard, het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en tot betaling van proceskosten.