ECLI:NL:CRVB:2020:2248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens geen nieuw feit
Appellant ontvangt een WAO-uitkering die door het UWV is stopgezet en teruggevorderd wegens inkomsten uit hennepteelt over de periode van 15 november 2007 tot en met 17 februari 2014. Appellant verzocht om herziening van dit besluit op grond van een strafvonnis waarin hij alleen over een kortere periode is veroordeeld.
Het UWV wees dit verzoek af omdat het strafvonnis geen nieuw feit oplevert in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat hij onterecht financieel zwaar wordt getroffen en dat het vonnis van de strafrechter moet leiden tot beperking van de terugvordering. De Raad oordeelt dat het strafvonnis geen oordeel geeft over de gehele periode van terugvordering en dat het UWV terecht geen nieuw feit heeft aangenomen.
Ook de financiële situatie van appellant en zijn gevoelens van onrechtvaardigheid leiden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot herziening en terugvordering van de WAO-uitkering blijft in stand.