ECLI:NL:CRVB:2020:2228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering na 1989
Appellant was sinds 1985 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In 1989 werd deze uitkering beëindigd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd later bevestigd door de Raad van Beroep. In 1993 werden de uitkeringen opnieuw toegekend, maar appellant verzocht in 2017 om herziening van het besluit uit 1989, stellende dat de beëindiging onterecht was.
Het UWV wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische gegevens geen novum vormden en dat de schouderklachten in 1989 al waren betrokken bij de beoordeling.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en voerde nieuwe medische stukken aan. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV, dat de nieuwe stukken geen ander licht wierpen op de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in 1989. Bovendien ontving appellant sinds 2012 een AOW-uitkering, waardoor geen recht meer op WAO-uitkering kon bestaan. Het verzoek om herziening werd daarom terecht afgewezen en het besluit was niet evident onredelijk.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit van 27 oktober 1989 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.