ECLI:NL:CRVB:2020:208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en verzekeringsrecht Wlz bij terugkeer uit Turkije
Appellant, geboren in Turkije en sinds 1977 in Nederland, keerde in 2006 met zijn gezin terug naar Turkije. In april 2013 kwam hij alleen terug naar Nederland en vroeg in december 2013 voorzieningen aan op grond van de Remigratiewet, welke werden afgewezen omdat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant geen rechtsmiddelen meer aanwendde.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit van 15 januari 2015 dat appellant vanaf 16 april 2013 verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), maar corrigeerde dit op 19 januari 2015 door te stellen dat appellant per 1 oktober 2006 niet als ingezetene werd beschouwd en dus niet verzekerd was. De rechtbank oordeelde dat appellant door zijn vertrek in 2006 de duurzame band met Nederland had verbroken en dat er tot 19 januari 2015 geen sprake was van een duurzame persoonlijke band met Nederland.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanaf zijn terugkomst in 2013 als ingezetene moest worden beschouwd en dat zijn intentie om in Nederland te blijven slechts kort werd onderbroken door zijn remigratieverzoek. De Raad oordeelde echter dat appellant pas na 30 oktober 2014, toen hij geen rechtsmiddelen meer had, een andere intentie kon hebben. De Svb mocht daarom tot 1 juli 2015 besluiten dat er geen duurzame band was.
Het besluit van 15 januari 2015 was onjuist, maar appellant kon dit weten gezien de eerdere uitspraak van 30 oktober 2014 en de snelle correctie van de Svb. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst proceskosten af.
Uitkomst: Appellant was van 16 april 2013 tot 1 juli 2015 geen ingezetene van Nederland en niet verzekerd op grond van de Wlz; het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.