ECLI:NL:CRVB:2020:168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen arbeidsovereenkomst wegens ontbreken gezagsverhouding tussen bestuurder en BV
Appellant was werkzaam bij een vastgoed-BV en ontving een faillissementsuitkering van het UWV. Het geschil betrof de vraag of appellant als werknemer in de zin van de WW kon worden aangemerkt, waarbij de kernvraag was of er een gezagsverhouding bestond tussen appellant en de BV.
De rechtbank had vastgesteld dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat geen sprake was van een dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel ondergeschikt was aan de aandeelhouder en dat formele benoemingen slechts formaliteiten waren.
De Raad overwoog dat voor een arbeidsovereenkomst sprake moet zijn van loon, persoonlijke arbeid en gezag. Uit de feiten en verklaringen bleek dat appellant samen met twee anderen als een gelijkwaardige directie het bedrijf leidde, dat er een rekening-courantverhouding bestond en dat besluiten over beloning gezamenlijk werden genomen. Formele overeenkomsten en inschrijvingen konden dit niet veranderen.
De Raad concludeerde dat het UWV zijn bewijslast had voldaan en appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De faillissementsuitkering was daarom terecht ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de faillissementsuitkering bevestigd wegens ontbreken van een gezagsverhouding.