Uitspraak
17 6075 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Dit gesprek en de overige bevindingen van het onderzoek heeft het Uwv vastgelegd in een rapport van 19 februari 2013 (handhavingsrapport).
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 19 april 2010 een WW-uitkering die op 25 juli 2011 werd beëindigd. Het UWV startte in 2012 een onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude op basis van een melding van de Belastingdienst. Uit het onderzoek bleek dat appellant in bepaalde periodes werkte voor een uitzendbureau en als zelfstandige, zonder dit aan het UWV te melden. Op grond hiervan herzag het UWV de uitkering en legde een boete op.
Appellant maakte geen bezwaar tegen deze besluiten, maar verzocht in 2016 om herziening met het argument dat de besluiten gebaseerd waren op onjuiste aannames, met name dat hij ten onrechte op urenlijsten stond. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die niet eerder bekend konden zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de stellingen over de onbetrouwbaarheid van de urenlijsten in een eerdere bezwaarprocedure hadden moeten worden ingebracht. In hoger beroep stelde appellant dat de verklaring van de directeur van het uitzendbureau in het handhavingsrapport een nieuw feit was, maar de Raad oordeelde dat dit rapport al beschikbaar was bij de oorspronkelijke besluiten en dat appellant tijdig bezwaar had kunnen maken.
De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten had aangedragen en dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WW-uitkeringsbesluiten wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.