ECLI:NL:CRVB:2020:163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever bij WIA-uitkering
Werknemer was sinds 2001 in dienst en viel in maart 2015 uit wegens ernstige gezondheidsklachten. Het UWV wees de WIA-uitkering aanvankelijk af vanwege mogelijke herstelkansen. Later stelde het UWV vast dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, wat leidde tot een loonsanctie.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever onvoldoende concrete stappen had gezet om werknemer passend werk te laten hervatten en dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van werknemer onjuist had ingeschat. De werkgever maakte bezwaar, maar het UWV handhaafde het besluit.
In hoger beroep herhaalde de werkgever haar standpunt dat werknemer te beperkt was voor re-integratie, mede gelet op de latere toekenning van een IVA-uitkering. De Raad oordeelde echter dat de toekenning van de IVA-uitkering achteraf geen oordeel over de re-integratieverplichting van de werkgever rechtvaardigt.
De Raad bevestigde dat de werkgever onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht en dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.