Appellante ontving sinds 2007 bijstand en had in de periode van oktober 2013 tot en met april 2015 wisselende inkomsten uit arbeid en ziekengeld. Het college bracht deze inkomsten via verrekening in mindering op de bijstand. Vanaf januari 2016 wijzigde het college de verrekeningswijze, waardoor achteraf werd vastgesteld dat appellante €1.488,92 te veel bijstand had ontvangen. Het college herzag het recht op bijstand en vorderde dit bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op de juiste verrekening door het college en dat het besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat het college weliswaar bevoegd was tot herziening en terugvordering, maar dat het college in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid omdat appellante niet duidelijk kon begrijpen dat de verrekening onjuist was.
Het college had fouten gemaakt in de verrekening, die niet aan appellante te wijten waren. Bovendien had appellante wisselende inkomsten en was het voor haar onduidelijk welke inkomsten wanneer werden verrekend. De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het college in de kosten van appellante.