ECLI:NL:CRVB:2020:1283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzame arbeidsongeschiktheid en Wajong-uitkering afgewezen
Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 2010, die door het UWV werd afgewezen omdat zij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Een tweede aanvraag in 2015, beoordeeld volgens de Wajong 2015, werd eveneens afgewezen op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante op haar achttiende verjaardag en bij de aanvraag geen situatie van duurzame arbeidsongeschiktheid had. Medische rapporten toonden aan dat hoewel appellante beperkingen heeft en intensieve begeleiding nodig is, verbetering mogelijk is en het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel met verbetering van gronden. Er is geen aanleiding om het besluit van het UWV te herzien en de aanvraag voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen.
De Raad benadrukt dat de duurzame arbeidsongeschiktheid inhoudt dat er blijvend geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn, ook niet met ondersteuning, en dat dit bij appellante niet het geval is. De beslissing is genomen op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten en jurisprudentie.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 juni 2020.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een Wajong-uitkering is terecht afgewezen wegens het ontbreken van duurzame arbeidsongeschiktheid.