ECLI:NL:CRVB:2019:929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overname betalingsverplichtingen werkgever wegens betalingsonmacht
Appellant was als manager werkzaam bij een ingenieursbureau en werd op 6 februari 2013 op staande voet ontslagen. De werkgever vroeg op 4 januari 2013 een ontslagvergunning aan om bedrijfseconomische redenen. Het UWV kende appellant een WW-uitkering toe vanaf 1 mei 2013, die later werd beëindigd toen appellant weer ging werken. De werkgever werd op 2 december 2014 failliet verklaard.
Appellant verzocht het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever over de periode van 6 februari 2013 tot en met 30 april 2013 over te nemen wegens betalingsonmacht, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de aanvraag meer dan 26 weken na het faillissement werd ingediend en appellant ten tijde van het faillissement al een loonvordering had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de WW. Appellant stelde in hoger beroep dat hij door medewerkers van het UWV verkeerd was geïnformeerd en dat hij door omstandigheden niet eerder kon aanvragen. De Raad concludeerde echter dat geen aanwijzingen waren dat het UWV appellant had geadviseerd te wachten en dat onbekendheid met regelgeving geen bijzonder geval vormt. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om overname van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht wordt afgewezen omdat geen sprake is van een bijzonder geval.