ECLI:NL:CRVB:2019:928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig productiemedewerker, diende in 2016 een verzoek in om een WAO-uitkering toe te kennen, nadat eerdere aanvragen in 2007 en 2010 waren afgewezen en deze besluiten in rechte waren komen vast te staan. Het UWV wees het verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten waren aangetoond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij ziek is en niet kan werken, maar verscheen niet bij de zitting. Het UWV verdedigde het besluit en vroeg bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad toetste of het UWV zich terecht en zorgvuldig had opgesteld en of het besluit deugdelijk was gemotiveerd.
De Raad oordeelde dat de medische informatie van appellant niet als nieuw feit kon worden aangemerkt omdat deze niet relevant was voor de beoordelingsdatum. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven tot herziening. Ook was het besluit niet evident onredelijk. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.