Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
17/2760 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, voormalig productiemedewerker, diende in 2016 een verzoek in om een WAO-uitkering toe te kennen, nadat eerdere aanvragen in 2007 en 2010 waren afgewezen en deze besluiten in rechte waren komen vast te staan. Het UWV wees het verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten waren aangetoond.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij ziek is en niet kan werken, maar verscheen niet bij de zitting. Het UWV verdedigde het besluit en vroeg bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad toetste of het UWV zich terecht en zorgvuldig had opgesteld en of het besluit deugdelijk was gemotiveerd.

De Raad oordeelde dat de medische informatie van appellant niet als nieuw feit kon worden aangemerkt omdat deze niet relevant was voor de beoordelingsdatum. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven tot herziening. Ook was het besluit niet evident onredelijk. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

17.2760 WAO

Datum uitspraak: 20 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 maart 2017, 16/6280 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 2 oktober 1991 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 10 december 2007 heeft het Uwv een aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 29 september 1992 afgewezen omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van
8 januari 2010 ongegrond verklaard. Na beroep en hoger beroep is dit besluit in rechte komen vast te staan.
1.2.
Op 25 mei 2016 heeft appellant wederom een aanvraag om een WAO-uitkering ingediend.
1.3.
Bij besluit van 8 juni 2016 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die moeten leiden tot herziening van het besluit van 10 december 2007.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij ziek is en dat hij niet kan werken.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het Uwv heeft de brief van appellant van 25 mei 2016 terecht opgevat als een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
4.2.
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al
eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
De door appellant in bezwaar ingediende medische informatie kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit omdat deze informatie niet ziet op de voor dit geding relevante datum. Het standpunt van het Uwv dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, is juist. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit in beginsel dragen.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt verder geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.5.
Voor zover appellant bedoeld heeft voor de toekomst een WAO-uitkering aan te vragen, wordt overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, dat appellant bij zijn aanvraag geen feiten of omstandigheden heeft vermeld en onderbouwd die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor hem gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd.
4.6.
Gelet op de overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) P.B. van Onzenoort

VC