ECLI:NL:CRVB:2019:779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens onherstelbare vertrouwensbreuk in ambtelijke arbeidsrelatie
Appellant was sinds november 2011 werkzaam als [functie] bij de gemeente [gemeente 1]. Na functioneringsgesprekken en een retraite in augustus 2015 ontstond een vertrouwensbreuk tussen appellant en het college van burgemeester en wethouders. Het college verleende appellant buitengewoon verlof en sprak het vertrouwen op, waarna appellant zich ziek meldde en geen werkzaamheden meer verrichtte.
Het college besloot tot ontslag op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO wegens de verstoorde arbeidsverhouding. Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat geen sprake was van een vertrouwensbreuk en dat het college een overwegend aandeel had in de ontstane situatie. Tevens vorderde hij uitbetaling van niet-gecompenseerde overuren.
De Raad oordeelde dat het vertrouwen onherstelbaar was geschaad, mede door het ontbreken van zelfreflectie van appellant en de politieke impact van zijn handelen. Het college had geen overwegend aandeel in de situatie en was bevoegd tot ontslag. De vordering tot uitbetaling van overuren werd afgewezen omdat de rechtspositieregeling dit niet toestaat.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: Het ontslag wegens onherstelbare vertrouwensbreuk wordt bevestigd en de vordering tot uitbetaling van overuren afgewezen.