ECLI:NL:CRVB:2019:686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2001 werkzaam als productiemedewerker en meldde zich op 29 mei 2012 ziek, wat door de werkgever niet werd geaccepteerd. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2013 vroeg appellant met terugwerkende kracht ziekengeld aan vanaf 1 oktober 2012. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf die datum geen recht had op ziekengeld en verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en fysieke klachten onvoldoende waren onderzocht en dat hij vanaf 1 oktober 2012 arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook zonder lichamelijk onderzoek, en dat de verzekeringsarts op basis van dossierstudie en spreekuurbezoek geen aanwijzingen vond voor doorlopende arbeidsongeschiktheid.
De Raad nam mee dat appellant geen aanvullende medische informatie had verstrekt ondanks toezeggingen en dat de beschikbare gegevens van huisarts en psycholoog geen ernstige of blijvende beperkingen aantoonden. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op ziekengeld en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wordt bevestigd.