ECLI:NL:CRVB:2019:677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en Amber-regeling niet van toepassing
Appellante heeft sinds 2002 een WAO-uitkering, die in 2004 werd ingetrokken wegens vermindering van arbeidsongeschiktheid. Diverse verzoeken tot herziening werden afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangetoond. In 2015 diende zij opnieuw een aanvraag in, met een diagnose van de ziekte van Behcet, maar het Uwv en de rechtbank oordeelden dat deze ziekte zich pas na de Amber-periode had gemanifesteerd en dus niet tot herziening leidde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verklaring van een bedrijfsarts nieuwe feiten bevatte en dat de verzekeringsarts onvoldoende had gemotiveerd waarom de klachten pas medio 2012 waren vastgesteld. De Raad stelde echter vast dat de verklaring van de bedrijfsarts niet medisch onderbouwd was en niet op de relevante periode zag.
De Raad bevestigde dat de aanvraag een herhaalde aanvraag betrof in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en dat het Uwv terecht had geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. Ook de toepassing van de Amber-regeling was niet mogelijk omdat de klachten zich na de vijfjaarsperiode hadden voorgedaan.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was en dat er geen reden was om terug te komen op eerdere besluiten. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten en het niet toepassen van de Amber-regeling.