ECLI:NL:CRVB:2019:654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-naleving opzegtermijn bij projectarbeid
Appellant ontving vanaf februari 2015 een WW-uitkering en trad in februari 2016 in dienst bij een werkgever voor de duur van een project. De arbeidsovereenkomst vermeldde een opzegtermijn van één maand. De overeenkomst werd echter per 11 mei 2016 beëindigd, zonder inachtneming van deze termijn.
Het UWV beëindigde de WW-uitkering vanaf die datum en weigerde de uitkering over de periode van 11 mei tot 1 juli 2016 wegens een benadelingshandeling door appellant. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het project niet nauwkeurig genoeg was omschreven en geen objectief bepaalbare einddatum had, waardoor de arbeidsovereenkomst niet als tijdelijk kon worden aangemerkt.
Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en verwierp het beroep. Ook het betoog over ongelijkheidsbehandeling werd verworpen omdat de eerdere arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd werd beëindigd. De Raad bevestigde daarmee de weigering van de WW-uitkering over de betreffende periode.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet naleven van de opzegtermijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst.