ECLI:NL:CRVB:2010:BM9398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1998 in dienst bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever per 1 maart 2008 ontbonden door de kantonrechter. Appellant vroeg een WW-uitkering aan die werd toegekend vanaf 3 maart 2008, maar de betaling werd uitgesteld tot 1 mei 2008. Het UWV stelde dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd door niet te verzoeken om een vergoeding ter hoogte van de fictieve opzegtermijn, waardoor de uitkering werd geweigerd tot 30 april 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep betoogde appellant dat hij slechts de kantonrechter kon verzoeken het ontbindingsverzoek af te wijzen en niet zelf om een vergoeding kon vragen. De Raad oordeelde dat van appellant verwacht mocht worden dat hij rekening hield met de gevolgen voor zijn WW-rechten en dat het niet vragen van de vergoeding een benadelingshandeling was omdat het redelijkerwijs mogelijk was geweest die vergoeding te vorderen.
De Raad stelde vast dat de ontbinding niet aan appellant te wijten was en dat op grond van de kantonrechtersformule een vergoeding van ten minste 10 maandsalarissen toekwam. Er waren geen omstandigheden die het betalen van deze vergoeding belemmerden. Daarom was het weigeren van de uitkering door het UWV terecht en het hoger beroep slaagt niet. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering tot 30 april 2008 wegens het niet vragen van een vergoeding ter hoogte van de fictieve opzegtermijn.