ECLI:NL:CRVB:2019:628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- S. Wijna
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening prepensioen op WW-uitkering ondanks latere wetswijziging
Appellant was van 2011 tot 2013 werkzaam bij een BV en ontving vanaf maart 2013 een prepensioen. Na een dienstverband bij een instantie tot juni 2016 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV bracht het prepensioen in mindering op de WW-uitkering. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het UWV had moeten anticiperen op een aangekondigde wetswijziging die het verrekenen van prepensioen met WW-uitkering zou beperken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV niet hoefde te anticiperen op de wijziging, mede omdat de wijziging niet met terugwerkende kracht was ingevoerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, stellende dat het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waren geschonden.
De Raad overwoog dat het aan de materiële wetgever is om belangen af te wegen en dat de rechter terughoudend moet toetsen. De wijziging van artikel 3:5 van Pro het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) trad pas op 1 mei 2018 in werking zonder terugwerkende kracht. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het prepensioen in mindering bracht en dat geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel. Het latere besluit van 2 november 2018 kon niet in dit hoger beroep worden betrokken. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV mocht het prepensioen in mindering brengen op de WW-uitkering.