ECLI:NL:CRVB:2019:532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning PTSS als beroepsziekte na onvoldoende onderbouwing diagnose
Betrokkene, sinds 1984 werkzaam bij de politie, stelde in 2014 vast te lijden aan PTSS en verzocht om erkenning hiervan als beroepsziekte. De landelijke Adviescommissie PTSS Politie beoordeelde de beroepsgerelateerdheid, maar bracht geen advies uit vanwege onvoldoende onderbouwing van de diagnose volgens DSM-IV en DSM-5 criteria.
De korpschef wees het verzoek af op basis van het advies van de Commissie. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, oordelend dat de Commissie buiten haar taak trad door de diagnose te toetsen en dat de korpschef zich niet uitsluitend op dit advies mocht baseren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de Circulaire PTSS Politie geen beleidsregel is maar een vaste gedragslijn, en dat de Commissie binnen haar kader een beperkte toetsing van de diagnose mag uitvoeren. De Raad stelt dat de korpschef terecht het advies van de Commissie volgde en het verzoek afwees. Het hoger beroep van de korpschef wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: De korpschef mocht het verzoek tot erkenning van PTSS als beroepsziekte afwijzen wegens onvoldoende onderbouwing van de diagnose.