ECLI:NL:CRVB:2019:514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterechte loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen
De werknemer was sinds 19 maart 2014 ziek gemeld en had gedurende het eerste ziektejaar geen benutbare mogelijkheden voor werk volgens de bedrijfsarts. De werkgever (appellante) vroeg op 16 juli 2015 een deskundigenoordeel aan bij het UWV, dat op 28 juli 2015 concludeerde dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren. Desondanks legde het UWV op 18 februari 2016 een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever tegen deze loonsanctie ongegrond, maar in hoger beroep handhaafde de werkgever haar standpunt dat er geen reële mogelijkheden waren voor re-integratie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de medische situatie van de werknemer na het deskundigenoordeel was veranderd, terwijl de bedrijfsarts de situatie onveranderd beoordeelde.
De Raad benadrukte dat een werkgever in beginsel mag uitgaan van een positief deskundigenoordeel en dat het aan het UWV is om te bewijzen dat de situatie is gewijzigd. Omdat het UWV dit niet kon aantonen, vernietigde de Raad het bestreden besluit en het besluit tot loonsanctie, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de werkgever.
Uitkomst: De loonsanctie wordt vernietigd omdat het UWV onvoldoende heeft bewezen dat de medische situatie van de werknemer was veranderd na het deskundigenoordeel.